au of ou

au-ou

Vul in een au of een ou
01

De kabter sjwde met een hweel en een klwhamer door het huis.

02

Met de lwerkrans om en een scijzenbroodje in de hand klterde de kampioen in de arrenslee.

03

Noch het woord uitjwen, noch het woord snwen schrijf je met een umlt.

04

Met een strijkbt en keukenpapier streek moeder de kwgom uit de rwkleding.

05

Voor dag en dw kamde het dje zijn als borsteltjes ogende wenkbrwen.

06

Als je kabeljw fileert krijg je kabeljwfilet.

07

Verbwereerd keek het vrwtje naar de met een te hete strijkbt gestreken trwkleding.

08

Dat kwtje heeft in de spwmuur een nestje gebwd.

09

De uitgehwen beelden lichtte men uit met een flambw.

10

Wter en Pla vertrekken lter en alleen voor de bierbrwerij naar ’s-Hertogenbosch.

11

De ober verwisselde het lwe bier gw voor een kd pilsje.